| |
| |

Rekenmodules
beleggers
woordenboek
aandelenwaardering
optiestrategie
berekenen
margin
berekenen
beleggen
tegen de laagste aandelentarieven
beleggen
tegen de laagste optietarieven
aanbieders
van beleggingsdiensten (telefoon en internet)
(M244)
|
|
|
|
|
Onderwerpen
>>
Beleggen voor beginners
>> Obligaties
Obligaties
De definitie van een obligatie luidt:
Een
obligatie is een schuldbrief die wordt uitgegeven door de overheid
of door een particuliere onderneming voor de meestal langere termijn.
De
obligatie is dan ook een verhandelbare schuldbekentenis aan toonder
voor een bepaald bedrag. Op de obligatie staat dit bedrag vermeld.
Dit bedrag wordt de nominale waarde genoemd. Een obligatie vormt
altijd een onderdeel van een veel grotere lening: vaak tientallen
tot honderden miljoenen euroXFX002s groot. Vaak kunnen beleggers dit
niet in hun eentje ophoesten, zodat de totale lening wordt onderverdeeld
in vaak porties van f.1000. Op deze wijze kan iedere belegger een
bedrag inleggen dat hem het beste uitkomt.
De
obligatie heeft de volgende elementen:
- de
rentevergoeding staat vooraf vast
-
uitgifte geschiedt door een bepaalde instelling in een bepaald
jaar
- terugbetaling
van de lening geschiedt op een van tevoren vastgestelde datum
of in een van tevoren vastgestelde periode
Soorten
Tegenwoordig
worden de meeste obligatieleningen in één keer afgelost, dat wil
zeggen aan het einde van de looptijd. De naam die deze obligatieleningen
dragen is bulletleningen. Maar, er zijn ook leningen die tussentijds
afgelost worden: terugbetaling geschiedt dan jaarlijks in gelijke
termijnen. Door middel van loting wordt dan bepaald wie in het betreffende
jaar zijn lening terugkrijgt. Er komen echter ook obligatieleningen
voor die nooit terugbetaald worden. De naam voor deze leningen is
eeuwigdurende of perpetuele lening.
Koers
Net zoals aandelen en opties zijn de obligaties verhandelbaar. Ze
hebben een officiële notering aan de AEX. Uiteraard worden de opties
tegen een bepaalde koers verhandeld. Deze koers komt als gevolg
van de volgende factoren tot stand:
|
|
|
|
-
de heersende rentestand
- de soliditeit van de uitgevende instelling
- de resterende looptijd
- de courantheid van de lening
- de couponrente van de lening
|
 |
|
Het
is de geldende rentestand (geen couponrente, maar marktrente) die
de meeste invloed heeft op de koers van de obligatie. De couponrente
is de rente die ontvangen wordt voor het feit dat iemand de lening
geeft aan de uitgevende instantie (die dus de obligatie uitgeeft
als bewijs van schuldverklaring). Deze couponrente staat gedurende
de hele looptijd vast. De marktrente daarentegen beweegt voortdurend.
Indien de coupon- en marktrente hetzelfde zijn, dan is de prijs
van de obligatie op de beurs gelijk aan de nominale waarde. Dit
is dus de waarde van een uitgegeven obligatie (standaard dus eigenlijk
altijd f.1000). Dit uitgeven gebeurt nog voordat het verhandeld
kan worden op de beurs, dus nog voordat de voorgenoemde factoren
invloed gaan uitoefenen op de prijs. De nominale waarde wordt ook
wel pari genoemd. Verschilt echter de heersende marktrente van de
couponrente, dan zal de prijs die voor een obligatie betaald moet
worden hoger of lager zijn dan de nominale waarde. Indien de marktrente
stijgt, daalt de koers van de obligatie.
Verschil
markt- en couponrente
De couponrente staat dus vast. Op het moment dat de marktrente hoger
noteert dan de couponrente, dan had de belegger dus een hogere vergoeding
kunnen ontvangen indien belegt zou worden tegen de heersende marktrente.
Niemand zal bereidt zijn de obligatie tegen nominale waarde te kopen.
Immers, nieuw uitgegeven obligaties (wat regelmatig gebeurd) kennen
een couponrente dat gelijk zal zijn aan de nieuw heersende marktrente.
Ter compensatie zal een belegger de "oude" obligatie willen kopen
voor een lagere prijs (dus onder de nominale waarde oftewel onder
pari).
Houdt
de nieuwe belegger de verworven obligatie in zijn bezit tot dat
er terugbetaling plaatsvindt, dan zal hij meer ontvangen dan de
prijs die hijzelf voor de obligatie betaald heeft. Obligaties worden
namelijk altijd tegen nominale waarde afgelost. Aangezien de belegger
bij aankoop minder betaald heeft dan de nominale waarde, maakt hij
een winst: uitlotingswinst. Andersom kan het natuurlijk ook voorkomen
dat de marktrente daalt beneden de couponrente. In dat geval zal
de prijs van een obligatie hoger zijn dan de nominale waarde. Er
kan immers met deze obligatie meer verdiend worden, dan het geld
op bijvoorbeeld een spaarrekening te zetten, waar de lagere marktrente
als vergoeding dient. Omdat de couponrente hoger ligt dan de marktrente,
is een belegger bereidt meer voor de obligatie te betalen, omdat
hij ter compensatie van het meer betalen dan de nominale waarde,
ook een hogere vergoeding (couponrente dus) krijgt. Bij aflossing
van de obligatie zal hij echter een verlies lijden, omdat de obligatie
à pari wordt afgelost, terwijl hij er meer voor betaald heeft. Zijn
rendement zal verkleinen.
|
| |
|
Rendement
Het rendement op een Nederlandse obligatie bestaat uit twee componenten:
- couponrendement (ontvangen rentebetalingen)
- aflossingswinst of -verlies (voor- of nadeel ten opzichte van
aankoopprijs).
Bij
obligaties in vreemde valuta kan er nog een extra component in het
rendement zitten: valutawinst of -verlies.
Om
verwarring te voorkomen wordt het totaal rendement effectief rendement
genoemd. Het is gelijk aan de optelsom van het couponrendement en
de aflossingswinst of het -verlies.
De
berekening van het effectief rendement is een ingewikkelde zaak,
die verderop besproken zal worden. Bovendien publiceren de meeste
dagbladen dit cijfer ook bij de koers van de obligatie.
Fiscaal
gezien worden de beide elementen van het effectief rendement verschillend
behandeld. Zo is het behaalde couponrendement wel fiscaal belast
en het aflossingsrendement niet.
Provisies
Er
kunnen op diverse manieren orders worden opgegeven. U kunt dat doen
bij uw bank. Een adviseur zal dan uw order verder behandelen nadat
u het opgegeven heeft en neemt contact op met de beurs om de order
door te geven. Uiteraard kunt u de order alleen opgeven bij de bank
waar u een rekening heeft lopen. Vaak is dit de duurste vorm van
beleggingsorders doorgeven. Een andere vorm is het doorgeven via
een telefoon. Uw bank verleent dan een dienst in de zin van het
mogelijk maken om orders via de telefoon door te geven. Door te
bellen krijgt u mensen van uw bank aan de telefoon (niet uw adviseur
van uw vestiging, maar een speciaal team). Zij geven geen advies,
maar noteren de order zoals u die doorgeeft. Vervolgens zenden zij
de order, net zoals de adviseur, naar de beurs waar die verder verwerkt
zal worden. Het verschil met het opgeven van een order via een adviseur
is ten eerste dat u geen advies krijgt bij het opgeven via een telefoon.
Een tweede verschil is de snelheid. Via de telefoon gaat het sneller.
U moet bij een adviseur eerst contact met hem zoeken (misschien
is hij net bezig met iets anders, waardoor hij u niet direct te
woord kan staan, terwijl er in de tussentijd veel kan gebeuren met
de koers), vervolgens moet hijzelf weer contact zoeken met de beurs.
U begrijpt dat dit een stap extra is ten opzichte van een telefonische
orderopgave. Een derde mogelijkheid om orders door te geven is internet.
Via een gebruikersnaam en wachtwoord kunt u dan gebruik maken van
deze snelle dienst. Een order doorgegeven via internet komt direct
binnen op de beurs, waar ze het dan verder behandelen. Deze laatste
vorm is de goedkoopste.
Beleggen
voor beginners:
Introductie |
Aandelen |
Opties |
Beleggingsfondsen |
Obligaties | Provisies |
definities
|
|